Design tussen 1910 en 1920

Design tussen 1910 en 1920

Joseph Hoffmann was een van de leidende figuren in de groep van Weense kunstenaars en architecten die bekendstaan als de Weense Sezession. Hoewel de kunst van de Sezession in wezen art nouveau-kenmerken vertoon de, is het vooral de geometrische benadering van decoratie die deze stijl beweging karakteriseert. De Sezession publiceerde haar eigen tijdschrift, Ver Sacrum, en stelde regelmatig werk tentoon van kunstenaars van over heel de wereld.

Wiener Werkstätte

In 1903 vormde Hoffmann samen met Koloman Moser de Wiener Werkstätte. Deze vereniging deed sterk denken aan de Arts and Crafts-gilden. De Wiener Werkstätte produceerde fraaie juwelen, metalen voorwerpen, textiel en meubels en was ook bedrijvig in de architectuur. De ontwerpers kunnen worden gesitueerd tussen de decoratieve art nouveau en het strenge modernisme, dat stil aan het uitzicht van veel objecten begon te bepalen.

Machine-Esthetica

Naarmate de eeuw vorderde waren de ontwerpers minder begaan met de ambachtelijke esthetiek, dan wel met de esthetica van de machine. In 1917 richtten een handvol Nederlandse schilders, architecten, ontwerpers en filosofen een groep op die ze De Stijl doopten. Ze keerden zich af van de ‘natuurlijke’ vormen in de architectuur en het design, en probeerden een beeldentaal te ontwikkelen die de nieuwe machine-esthetica kon uitdrukken door gebruik te maken van een beperkt kleurenpalet en geometrische vormen en lijnen.

Van al die ontwerpen komt de Roodblauwe stoel van Gerrit Rietveld misschien nog het dichtst in de buurt van die doelstellingen. De stoel, waaraan geen enkele onnodige versiering te vinden is, werd gemaakt van houten planken op standaard lengte die met de machine waren afgewerkt.

De invloed van De Stijl strekt zich uit over heel Europa, en vooral naar de Russische constructivisten en het Bauhaus in Duitsland. In Italië waren het de futuristen die de machine verheerlijkten, waaronder de dichter Filippo Marinetti (1876-1944) en de kunstenaar Giacomo Balla (1871-1958).

Massaproductie

De industrieel Henry Ford richtte in 1903 de Ford Motor Company op en ontwikkelde in de daar opvolgende twintig jaar een methode die massaproductie mogelijk maakte. Deze methode zou een blijvende invloed hebben op de ontwerpproces: de standaardisering van onderdelen voor een makkelijker assemblage, en in 1913 de bewegende assemblagelijnen (de lopende band).

Toen deze methode werd toegepast op de productie van de Ford T bleek die zo succesvol te zijn dat tegen 1920 de helft van de auto’s van dat type waren. Door de massa productie werden veel goederen betaalbaar voor een grote groep mensen, maar de fabrieksarbeiders hielden er wel een gevoel van vervreemding aan over.

Hun rol in het productieproces werd gereduceerd tot volslagen anonieme, repetitieve handelingen. Sommigen meenden dat het enige verweer hiertegen een terugkeer was naar het vakmanschap van William Morris.

De massaproductie bleek echter zoveel voordelen te bieden dat ze niet meer kon worden tegengehouden, en alsmaar meer werd toegepast naarmate de eeuw vorderde. De kwaliteit van het leven van de gewone arbeider werd anderzijds wel verbeterd door de introductie van heel wat tijd- en werkbesparende toestellen, zoals wasmachines, haardrogers en strijkijzers.

Elektriciteit

Het overgrote deel van deze vernieuwende toestellen was in werkelijkheid niet echt tijdbesparend, maar maakte de huishoudelijke taken wel minder arbeidsintensief. Veel van die producten werkten op elektriciteit, die aan het begin van de 20ste eeuw relatief nieuw en in veel huizen nog niet aanwezig was.

Anderzijds bood elektriciteit (een schone, reukloze energiebron die een ruimte verlicht door een eenvoudige druk op een knop en die nieuwe toestellen, zoals de stofzuiger, aandrijft) zoveel voordelen dat ze snel als een goede investering werd gezien en in heel de westerse wereld werd er dan ook al snel op overgeschakeld.

Het Bedrijfsimago

In die tijd was Peter Behrens in Duitsland gevestigd als artistiek directeur van AEG (Allgemeine Elektricitätsgesellschaft), een belangrijke producent van elektrische toestellen. Het bedrijf onderkende de nood om haar ontwerpen te uniformiseren en Behrens’ ideeën over standaardisering en verwisselbaarheid van onderdelen waren van cruciaal belang voor het succes van AEG.

Het mooiste voorbeeld hiervan zijn de ontwerpen voor ketels uit 1909, waarbij van slechts drie basismodellen meer dan tachtig varianten konden worden gemaakt. Behrens verzekerde ook de herkenbaarheid van het bedrijf, door zowat alles op dezelfde manier vorm te geven, van de architectuur van de bedrijfsgebouwen tot de advertenties.

AEG werd op die manier het eerste bedrijf met een imago, een concept dat later door veel bedrijven zou worden overgenomen. Behrens deed een beroep op de meest vooruitstrevende ontwerpers, zoals Walter Gropius, Ludwig Mies van der Rohe en Le Corbusier. Hun werk had een enorme impact op het uit zicht van de producten en heeft het debat over kunst en technologie sterk beïnvloed.

Het Bauhaus

In 1919 werd in Duitsland een kunstenaarsschool opgericht die bekend zou worden onder de naam Bauhaus. Onder de leiding van Walter Gropius werd het Bauhaus (dat bleef bestaan tot in 1933) een van de meest invloedrijke kunstenaarsscholen van onze eeuw. Het Bauhaus had een eenvoudig doel voor ogen: jonge kunstenaars opleiden om in de industrie te gaan werken. Hoewel de verwezenlijkingen niet overschat mogen worden, heeft het Bauhaus toch zijn blijvende stempel gedrukt op het 20ste-eeuwse design.

Er werden moderne industriële materialen gebruikt, die in hun basisvorm en zonder enige decoratie werden verwerkt in producten die, zoals de Bauhaus-designers het wilden, niet aan het verleden refereerden. Hun doelstellingen werden echter niet altijd verwezenlijkt.

Marcel Breuers beroemde Wassily-stoel vertoont veel kenmerken die met de Bauhaus-stijl worden geassocieerd – hij bestaat uit stalen buizen en heeft strenge geometrische vormen. De constructie van de stoel berust echter nog meer op handwerk dan op machinale productie.

Het grootste succes van het Bauhaus waren de nieuwe onderwijsmethodes, die in heel de wereld werden nagevolgd. Gropius wist bekende en gewaardeerde schilders, zoals Wassily Kandinsky (1866-1944), Josef Albers en Paul Klee (1879-1940) aan te trekken om er de basisprincipes te doceren. Bekende architecten als Marcel Breuer en Ludwig Mies van der Rohe waren er eveneens docent.