Design tussen 1930 en 1940

Design tussen 1930 en 1940

Sinds het begin van de eeuw waren de ontwerpers begonnen te experimenteren met hydro- en aërodynamica. Door de studie van de vorm en beweging van vogels en vissen kwam men tot de vaststelling dat schepen en vliegtuigen efficiënter konden worden gemaakt door ze ronder en gladder te maken.

De Douglas DCl zag als commercieel passagiersvliegtuig in 1933 het levenslicht. Het vliegtuig, dat erg verschilde van zijn plompe voorgangers, had een gestroomlijnde zelfdragende structuur met geïntegreerde vleugels en een aluminium drukbekleding die zo sterk was dat ondersteuningsbalken niet langer nodig waren. Samen met de Boeing 247 luidde dit vliegtuig het tijdperk van de moderne passagiersvluchten in.

In 1934 lanceerde Chrysler zijn nieuwe gestroomlijnde automobiel, de Airflow. De auto werd ontworpen door Carl Breer en was het resultaat van een diepgaande studie van de aërodynamica. De golvende romp uit een stuk, met wijkend windscherm en verlengde achterkant, was zo verschillend van vroegere auto’s dat het voertuig niet aansloeg bij het publiek en de productie reeds na drie jaar werd stopgezet. De auto was echter wel een technologisch hoogstandje en droeg bij tot de toepassing van de aërodynamica bij de ontwikkeling van auto’s. Hij effende ook de weg voor ontwerpers als Ferdinand Porsche die er hun inspiratie haalden voor hun aërodynamische sportwagens.

Amerikaanse stroomlijning

Stroomlijning betekende snelheid, efficiëntie en was bovenal modern. Net zoals de art deco werd het een commercieel succes. Algauw werd duidelijk dat de consument zich ertoe aangetrokken voelde, misschien niet tot de Airflow, maar wel tot andere gestroomlijnde producten. Het eerste duidelijke voorbeeld hiervan kwam er in 1929 toen Raymond Loewy de Gestetner-stenciI machine opnieuw vormgaf.

Tot die tijd waren dergelijke machines een typisch industrieel product geweest, waarbij geen aandacht werd besteed aan het uitzicht van de machine of geen poging werd gedaan om ze gebruiksvriendelijk te maken. Loewy, die een klein model op ware grootte gebruikte om het gewenste doel te bereiken, wist de werkende onderdelen samen te brengen in een gestroomlijnde behuizing.

De stencilmachine werd een groot commercieel succes, zodat in de Verenigde Staten de ontwerpers een hele reeks toestellen begonnen te stroomlijnen. Hoewel de gerestylde producten een verbeterde werking suggereerden, ging het in sommige gevallen enkel en alleen om hetzelfde product met een moderner uitzicht.

Het Amerikaanse Industriële Design

Raymond Loewy was een van de meest succesvolle Amerikaanse ontwerpers ooit. Hoewel hij eigenlijk een stilist was, was hij verantwoordelijk voor het opnieuw vormgeven van talloze producten, waaronder de Coldspot Super Six-ijskast, het Lucky Strike sigarettenpakje, de Silversides Greyhound-bus en het Shell Oil-Iogo.

Als het op stroomlijning aankwam, gaven de Amerikanen duidelijk de toon aan. Naast Loewy waren er ook nog Norman Bel Geddes, Walter Dorwin Teague en Henry Dreyfuss, die stuk voor stuk de vormgeving over heel de wereld hebben beïnvloed. Dreyfuss ontwikkelde een designtheorie die minder de nadruk legde op stilering, dan wel op de relatie tussen de machine en de gebruiker. Hij geloofde dat een machine slechts efficiënt genoemd kon worden als ze geheel aan de mens was aangepast.

Zijn theorieën werden uiteindelijk vervat in een studie over ergonomie (hoe mensen in betrekking staan tot objecten) en antropometrie (de studie van lichaamsomvang en -kracht). Dreyfuss vestigde zijn reputatie met het Bell 300-telefoontoestel. Hij ontwierp het ‘van binnenuit’ en testte het uitvoerig om er zeker van te zijn dat dit toestel gebruiksvriendelijk was. Deze telefoon zou meer dan 40 jaar de Amerikaanse standaardtelefoon blijven

Zweeds Modern

Hoewel de art deco en de Amerikaanse stroomlijning de jaren ’30 domineerden, ontstond in Scandinavië een geheel aparte stijl, die in de jaren ’40 en ’50 van toenemend belang zou blijken. De term ‘Zweeds Modern’ werd bedacht na de Wereldtentoonstelling van New York in 1939. De sleutelontwerpen in de jaren ’30 waren de ceramische voorwerpen van Wilhelm Kage, het glaswerk van Kaj Franck en de meubelontwerpen van Alvar Aalto. Die nieuwe look werd gekenmerkt door een zachte, organische en natuurlijke vormgeving en beïnvloed door het traditionele Scandinavische design.

Bakeliet en nieuwe materialen

In de jaren ’30 experimenteerden Alvar Aalto en Moreel Breuer met gelaagd hout, dat door een machine was bewerkt. De belangstelling voor nieuwe materialen was groot, vooral voor bakeliet. Het werd in 1907 uitgevonden en gepatenteerd door de Belgische uitvinder Leo Boekeland.

Het was een van de eerste plasticsoorten die op grote schaal zou worden gebruikt. Omdat het makkelijk in vorm kon worden gebracht, bleek het ook een ideaal materiaal te zijn voor de gladde, ronde omtrekken van gestroomlijnde producten. Aanvankelijk werd het uit grote blokken gehaald en gebruikt ter vervanging van hout en ivoor.

Maar naarmate ontwerpers de specifieke kwaliteiten van dit nieuwe materiaal ontdekten, werd het gegoten in ontelbare vormen en vooral gebruikt voor elektrische toestellen. Het gaf de ontwerpers de vrijheid om voorwerpen te ontwerpen en te herontwerpen.